Truus bij één van haar creaties

Paasweekeinde in Nederland

Vanwege pasen hadden we een lang weekeinde, hoewel het werk van Maartje er bijna beslag op nam.
Op vrijdag zijn we naar Mons gereden voor de overnachting, dit keer in een Best Western hotel dat best aardig was maar wel erg Amerikaans met welkomswoordje op het TV scherm en zo…
We hebben wat Belgisch bier gedronken in twee cafés en een berg friet voor geen geld gegeten.
Op zaterdag richting Son want daar was een feestje voor Truus haar 75ste verjaardag en ook omdat Hille jarig was. Hans en Bep waren er ook.
We zijn met Truus naar een tentoonstelling van haar Quilt groep gegaan en hebben een tuincentrum bezocht.
In de middag kwam de cateraar en de gasten en het werd een leuke avond die we voornamelijk in de tuin door brachten omdat het zonnig was.
Op zondag naar Heerlen voor een paasbrunch bij Steef en Wiel, met Cor en Martine, Richard en Anique en ons neefje en nichtjes.
Daar was het ook heel zonnig en hebben we ‘s avonds in kleiner comité nagepraat.
En gisteren, na het ontbijt, weer naar Parijs. Het was rustig op de weg dus het ging vlot.
Vandaag is Maartje jarig en mijn kadootje is nog niet met de post gekomen…
Ik heb asperges (uit Nederland) met een kalfsschnitzel (als ik er een kan vinden, mijn slager is op vakantie) en wat garnaaltjes vooraf.

Hans en Gudrun

Maar doen jullie dan niets meer?

Nee, de wagen staat niet vast in de garage. We gaan er echt nog wel op uit, vooral nu het weer wat beter wordt. De laatste weekeinden hebben we in Parijs rond gelopen, en in het bos hier. We wilden eigenlijk naar het Louvre, vanwege ons abonnement, maar het was te mooi weer en dus liepen we over de Rue des Martyrs naar boven, terwijl Marcel hard niesde van de allergie/luchtvervuiling.
We zijn ook nog een keer naar Dieppe gereden en hebben daar een mooie zeetong gekocht en geluncht in Le Turbot, en het afgelopen weekeinde hebben we op zondag in de stad geluncht met Hans en Gudrun. Dat is een Zweeds echtpaar dat we uit Zurich kennen; zij werkte bij de Rotary net als Maartje. Nu, met pensioen, gaan ze terug naar Stockholm en hun dochter daar. Maar ze hebben nu wel de Zwitserse nationaliteit gekregen zodat ze eventueel later terug kunnen naar de Helvetische confederatie –- anders zouden ze als niet-verdieners het land niet meer in kunnen.
Voor de rest hebben we het druk, met werk en opdrachten en de Nederlandse vereniging waar we een Koningsnacht voor aan het organiseren zijn.
De auto gaat binnenkort weer naar het Noorden voor Hille’s verjaardag terwijl Truus komend weekeinde 75 wordt. Daarna volgt een veel jongere Maartje, en gaat het hotel hier weer open.

Huitrière

Het oesterhuis van Pourville

Het kan verkeren. Er waren twee plekken in Frankrijk die ik “kwijt” was. Eentje was een restaurant/hotel bij de Dordogne waar ik eens tijdens een fietsvakantie (met Sindbad Reizen) enkele jaren voordat ik Maartje leerde kennen kleine gebakken visjes had gegeten.
Zo’n vijf jaar geleden vonden we het terug, Hotel du Pont in Groléjac, en we komen er nu regelmatig visjes eten (indien aanwezig) en om er goedkoop te slapen.
De andere plek was een oester restaurant waar we op onze huwelijksreis waren gestopt op weg naar Saint Valery en Caux. We hebben heel wat kilometers kustlijn afgereden sindsdien maar we vonden het niet.
Nu waren we zaterdag naar Dieppe gereden. Het was mooi weer. Er was wederom geen plek bij Le Turbot (ze worden te populair nadat ik over ze geschreven heb) en de vismarkt was al bijna over en er lag niets dat ons aansprak. We hebben wel groenten en kaas gekocht en best aardig gegeten in La Cravache d’Or (het gouden zweepje). Daarna zijn we naar de pier gegaan om uit te waaien. Dit keer hebben we de auto daarvoor bij het kerkje van Polet opgehaald en weer bij de pier weggezet. Na een tijdje naar de amateurvissers te hebben gekeken, die ook mandjes in het water hadden laten zakken om “bouquet” garnalen te vangen (nog doorzichtig als het vers is), pakten we de auto met het doel naar een stadje aan de zee te gaan dat ik tussen de krijtrotsen kon zien liggen (voorbij de aardverschuiving waar in januari 2013 een onbewoond huis naar beneden gleed en eerder deze maand een Duitse bunker). We namen daarom een ongewone route, niet gelijk richting Saint-Valery en Fécamp, maar eerst omhoog, bijna naar het kasteel en langs de plek waar de rotsen waren ingestort, en toen weer naar beneden. Er was een uitkijk punt, we stoppen en zien een wit betonnen gebouw met “L’Huitrière” (het oesterhuis) er op geschreven. Dat was het! In Pourville, bijna 25 jaar later. In de zomer kun je er inderdaad nog oesters eten, in het na seizoen kun je er oesters kopen –- uit Normandië en Ierland…Pauline Goubert zei dat ze ook wel de oesters van Veules-les-Roses verkoopt maar die dag niet.
In Varengeville gingen we bij de vuurtoren van Ailly kijken en zagen we leuke wandelroutes voor een andere keer. In Veules-les-Roses konden we de auto niet kwijt en de oester verkoopplaats was leeg dus gingen we door naar Saint Valery en Caux. Daar hebben ze de kade vernieuwd en het ziet er leuk en fris uit. Hier waren er wel drie viskramen en we gingen met spinkrab en welken weg.
Een flesje Calva en een potje mayo. Alles in de Q5 en toen terug via Barentin en Rouen.

Uitzicht

Uitzicht

Op maandag kwam ik terug thuis van Zweedse gym, na de ochtend te hebben gewerkt in de studeerkamer, en hoorde lawaai buiten. Ik liep naar de keuken met wat boodschappen en zag dat er een man in een van de kastanjebomen hing en daar takken aan het knotten was.
De bomen hadden al geen bladeren meer dus we zagen al wat van Parijs. In de zomer, wanneer de bomen vol zijn, dan is ons uitzicht beperkt tot die groene haag, tot er kastanjes in komen en dan vallen en dan worden de bladeren bruin en dan is er weer een doorkijk.
Maartje zei wel eens “eigenlijk zouden ze de bomen moeten kappen”. Zover gingen ze niet maar er staan nu slechts stammen voor ons raam en we kunnen onbelemmerd kijken naar La Défense, de Seine, de Tour Eiffel achter de Mont Valérien en daartussen de stadjes Le Vésinet, Chatou en Reuil Malmaison.
In dat laatste plaatsje, tegen de Mont Valérien aan, hadden Napoleon en Josephine een paleisje. Marie-Josèph-Rose de Tascher de ma Pagerie (roepnaam Rose) was geboren in Martinique in een “adelijke Franse créoolse familie” volgens Wikipedia. Ze werd daar Yeyette genoemd.
Er werd een huwelijk gearrangeerd met Alexandre de Beauharnais, ze volgde haar man naar Parijs en had twee kinderen met hem. De Beauharnais maakte zodanige militaire blunders in de strijd tegen de Pruisische troepen in de republiek Mainz (toen bezet door revolutionair Frankrijk) dat hij gevangen werd gezet en later onder de guillotine werd gelegd. Marie-Rose bezoekt de salons van de ‘high society’ en ontmoet de dictator Barras en later de dan opkomende militair Napoleon, die verliefd raakt.
Er was een fraai televisieprogramma over. Napoleon Bonaparte noemt haar Josephine, trouwt met haar, maakt haar keizerin en leeft in Malmaison met haar. Maar ze raakt niet (meer) zwanger. Bonaparte denkt dat het aan hem ligt maar nadat hij een Poolse adelijke dame blijkt te hebben bezwangerd begrijpt hij dat het toch aan Josephine ligt en ze scheiden zodat hij een ander –- niet de Poolse dame maar een Oostenrijkse prinses –- kan huwen om een troonopvolger te maken.
Enfin, uiteindelijk valt Napoleon en de prinses en zoon gaan terug naar Wenen. Josephine is dan al lang gestorven in Malmaison waar ze wilde blijven wonen maar waar haar Oostenrijkse opvolgster zat. Haar dochter Hortense is met Napoleon’s jongere broer Louis Napoleon Bonaparte gehuwd en werd koningin van Nederland. Malmaison is nu een museum met staatsie vertrekken, een rozentuin en park.
We zullen er eens heen gaan, het is niet ver.
Dat is wat anders dan een weekeindje gezellig heen en weer naar Nederland, overnachting in Mons waar de bediende van Brasserie Exelsior meteen een Rochefort 8 voor mij bestelde, een koffiebezoek bij Martine en Cor en daarna op bezoek bij Hille en Truus om te zien of de staaroperatie goed was gegaan (ja dus).

Truffelmandje

Truffelmarkt in Lalbenque

De geur was onmiskenbaar. Zodra we de deur van het Café de Paris openden en de kleine eetzaal in gingen was het duidelijk dat er iets in de lucht hing. Een truffelgeur, licht, scherp en gronderig.

We zagen alleen maar mensen aan tafeltjes zitten met koffie, wijn of bier.
Er stond een truffelmenu op het kleine schoolbord geschreven maar de kok was nog niet eens in de keuken.
Waar kwam de geur dan vandaan?
Uiteraard waren we niet verbaasd. Het was de reden van ons bezoek aan het dorpje Lalbenque, ten zuiden van Cahors, op een dinsdag wanneer er truffelmarkt is. Maar de markt zou pas over een paar uur zijn. We waren op een zonnige ochtend vanuit een hotel bij het vliegveld naar het dorpje gereden en wilden in het café een beetje koffie drinken en wat emails lezen en schrijven. In de hoofdstraat was het rustig, op een paar groentekraampjes na. De straat was wel autovrij gemaakt.
De mensen hadden warme jassen aan, het was dan ook vroeg in februari. Sommigen hadden regenkleding maar het was droog. Hier en daar lagen plastic zakken.
En daar kwam de geur uit. De mensen dronken wat voor ze naar de markt gingen met hun oogst. In de plastic zakken zaten rieten manden met een doek erover om de geur “binnen” te houden maar met een paar kilo truffel in het kleine café was de discrete geur een hoofdtoon geworden.
Best lekker, overigens. Tegen twaalven begon de serveerster de bestellingen op te nemen zodat er gegeten kon zijn voordat de markt om twee uur opende.
Het truffelmenu bestond uit een bloemkoolsoep met truffel, omelet of risotto met truffel, een stuk brie waar truffel in zat en daarna een crème brulée met sliertjes truffel.

QUERCY
Lalbenque is het centrum van de “zwarte truffel uit de Quercy”. Dat is een streek in de Lot. In Frankrijk vindt men de zwarte truffel in de Périgord (iets ten noorden van de Quercy) en in de Vaucluse. In Carpentras en Richerenches zijn er ook grote truffelmarkten. In Montagnac, Valréas, Sainte-Alvère, Jarnac en Sarlat vinden tevens markten plaats.
De zwarte truffel is de Tuber Melanosporum. In de Bourgogne vindt men wel een grijze truffel, tuber uncinatum, er er bestaan ook zomer truffel (aestivum) en winter truffel (brumale).
De truffel is een soort zwam die groeit onder sommige bomen op kalkhoudende grond. Het wordt gevonden met de hulp van honden of varkens (die een goede reuk hebben) of via de aanwezigheid van kleine vliegjes.
Vroeger werden er behoorlijk veel truffels gevonden en in oude receptenboeken wordt er kwistig meegewerkt in gerechten zoals de “poularde demi-deuil” waarbij er schijven truffel worden gestopt onder de huid aan de bovenkant van een flinke kip die vervolgens gepocheerd wordt.
Door de intensieve landbouw en gebruik van chemicaliën, het uitbreiden van stadjes en wegen, zijn de oogsten minder uitbundig. Ten noorden van Lalbenque, in Grèzes, worden truffels “gekweekt” op een plantage van speciale bomen op kalkgrond.
Tegen het einde van de 19de eeuw werden er zo’n duizend ton aan truffels geoogst, nu is het eerder 30 tot 40 ton voor het hele land.
Er zijn ook zwarte truffels in Spanje. De witte is voornamelijk in de Piemont in Italië rond het stadje Alba. De witte truffel is het best tegen november/december, de zwarte in januari en februari. Truffels van mindere kwaliteit zijn te vinden in andere landen in Oost-Europa en China. Er zijn heel wat mensen die proberen om goedkope truffels te verkopen alsof het de “echte” zijn….

KOPERSMARKT
De markt in Lalbenque wordt georganiseerd door het syndicaat van de truffelboeren dus ik verwachtte een markt waar de verkopers een sterke hand hebben. De verkopers, ieder met een officiële registratie en weging van hun aanbod, staan in een lange rij achter lage banken in de lengte van de hoofdstraat (die de truffelmarktstraat heet). Een gespannen koord houdt de geïnteresseerden –- toeristen en kopers –- op een afstand. Men kijkt in de mandjes, sommigen laten ruiken. Er worden signalen afgegeven en soms al een akkoordje gesloten. Maar wat opviel was dat de kopers samenschoolden om afspraken te maken over hoeveelheden en prijs.
Tegenover het café de Paris, en de straatzijde van de verkopers, staat een gebouw van Chambon & Marrel, grossiers in truffels. Het is geen restaurant maar daar waren vele tafels waar gegeten werd. Vanuit dat gebouw kwamen de mannen met sigaren en mohair jassen om te handelen met de boertjes met pet en regenjassen…..
Een van de verkopers zei dat men “een prijs in het hoofd heeft van waaruit de onderhandelingen beginnen”. De kwaliteit, geur, vorm enzovoort spelen een rol maar als de producenten echt meer geld willen hebben dan zou een veiling beter zijn –- danwel “Hollands” met dalende prijzen zoals bij de bloemenveiling of Brits met stijgende prijzen zoals bij Christie’s of Sotheby’s.
Nu stond er een lijn van dertig/veertig verkopers naast elkaar tegenover de kopers die heen en weer konden gaan.
Om twee uur begon de markt voor amateurs, zoals wij, met wat truffels in plastic verpakking met het gewicht en de prijs er op.
Een half uur later begon de “echte” markt. Er werd met een rode vlag gezwaaid en het gespannen touw werd weggehaald zodat er meer ‘contact’ kon zijn tussen de verkopers en kopers.
In de straat waren ook andere mensen met plastic zakken. Een stond te bellen. “Ik bel mijn dealer zodat hij weet waar ik sta,” zei hij. Dus dat werd een “gré à gré” buiten de markt om.
Het is een contante markt waar veel geld omgaat. De belastingdienst heeft een kantoor in de straat maar het is onduidelijk wat wit en zwart ging. Later zagen we op de parkeerplaats nog best veel zakjes van eigenaar verwisselen van de ene achterbak naar de andere.
De officiële opbrengst van die dag was dat op de grossiers markt 114 kilo truffels verkocht werden tussen de 500 en 800 euro per kilo voor een gemiddelde van 650 euro. Op de consumentenmarkt werd 3,2 kilo verkocht tegen een gemiddelde van 1,000 euro per kilo. In Parijs is de prijs op zijn minst 1,400 euro.
Wij hadden een klein truffeltje gekocht en de volgende dagen rook de auto heerlijk.

IN DE KEUKEN
De truffel is duur en exquis maar het blijft een aardzwam.
Er bestaan vele gecompliceerde recepten waar een truffel in wordt gebruikt maar eigenlijk een kleine rol speelt. Een showrol van “kijk eens ik kan een truffel betalen voor dit diner”. Dat herinnert mij vaak een een restaurant bij de Weteringschans in Amsterdam waar een “gewoon” gerecht van kip werd “opgeleukt” met ganzenlever, truffel en rivierkreeft. De helft was koud en smaakte niet echt.
De eerste keer dat ikzelf met truffel kookte was, terugkijkend, ook helemaal fout. We hadden met een aantal studenten geld bij elkaar gelegd om fazant te kopen en te koken en ik had een recept gevonden om de fazant te vullen met de ingewanden, wat groenten en brood en een blikje truffel.
Ik moest wel vullen omdat we met tien man/vrouw twee fazanten hadden. Maar de truffel (uit blik gehaald en opgewarmd in Madeira) viel in het niets.
Een Engelse collega had een dergelijke ervaring en vertelde me eens dat in plaats van een truffel kon je net zo goed briefjes van 20 pond in je gevogelte stoppen….
Nu kun je niet altijd verse truffel vinden. Wel truffel essence en truffel olie.
Een Française, die op de nieuwjaarsreceptie op de residentie was, klaagde dat zoveel Nederlandse restaurants overal truffelolie overheen gooien…
Of je nu een truffel in glas of truffel in blik hebt, laat het op kamertemperatuur komen maar kook het niet (lang) mee want het beetje geur en smaak is vluchtig.
Al je wel een verse truffel hebt –- zwart, wit of grijs –- dan is mijn regel dat je het gerecht simpel moet houden om de fragiele geur en smaak te behouden.
Goede combinaties zijn met aardappel, bloemkool, ei, rijst en gevogelte. Ik ken een recept van zeebaars met truffel en dat kan ook nog wel interessant zijn.
Mijn beste truffel herinneringen zijn aan een kipfilet in S-vorm aan een houten stokje met zwarte en witte truffel in de openingen, bij Negresco in Nice. Of een “parmentier’ met aardappelpurée en wat vlees in le Grand Véfour in Parijs.
Ons Lalbenque truffeltje ging voor de helft in een omelet bij mijn tante in Ariège en de andere helft in een fraaie kipfilet thuis –- eerst de kipfilet bijna gaar braden, dan open snijden, schijfjes truffel er in en dan even verder koken.

Slagveld

Tja, het is even stil geweest op deze blog omdat we het een beetje druk hadden met het een en ander. Maartje kwam met het idee aan om naar het kasteel Champ de Bataille te gaan in Normandië. We hadden de richtingbordjes wel eens gezien en bij mijn cardioloog hangt een mooie foto gemaakt door zijn broer vanuit dat kasteel.
Maar waarom zou je een kasteel ‘slagveld’ noemen? Er zijn een aantal theorieën –- er zou in 935 een veldslag geweest zijn tussen lokale families en die slag werd gewonnen door Willem Langzwaard wiens troepen werden aangevoerd door Bernard de Deen, een voorvader van de Harcourt familie. Deze verklaring is het meest gebruikt. Maar het kan ook zijn dat de velden behoorden tot een familie Bataille, dat everzwijnen er vaak gevechten hielden of dat de naam verwijst naar een overwinning van de Harcourt familie over die van Tancarville (waarna één van de bruggen over de Seine is vernoemd).

Château du Champ de Bataille

Château du Champ de Bataille

Hoe dan ook, het was een gebied niet ver van de Seine monding en Rouen, op een hoogvlakte vol bossen en vruchtbare gronden dus het was een rijk gebied. Ene Alexandre de Crequi, een rebel een vriend van de troonpretendent Condé, wordt van het hof in Versailles verbannen door kardinaal Mazarin die de voogd was van de minderjarige Lodewijk de veertiende.
De Crequi laat een paleis bouwden in de splendeur van Versailles tussen 1653 en 1665. Maar hij gooit er zijn hele fortuin tegen aan en sterft met schulden. Zijn zoon doet niets aan het kasteel. In de achttiende eeuw wordt het kasteel aangeworven door de Harcourt familie –- het dorpje Harcourt ligt in de buurt en is een fraai stadje –- maar de Franse revolutie maakt een einde aan de nobele ambities en het gerestaureerde kasteel wordt geplunderd. Bij de terugkeer van de monarchie wordt her verkocht en kent enkele eigenaren tot het in 1944 een oorlogsgevangenis wordt en later een gevangenis voor vrouwen. Daarna, in 1947, krijgt de Harcourt familie het weer als tegoeddoening voor de vernietiging van hun kasteel Thury-Harcourt tijdens de bevrijding in 1944. Ze verkopen het weer in 1982 aan de persoon die ook de plaatselijke golfbaan stichtte en in 1992 wordt het gekocht door de architect Jacques Garcia (hotels Royal Monceau in Parijs en La Mamounia in Marrakech, het interieur van de Tour Montparnasse). Enfin, de broer van doktor Marc Sander, Eric, is bevriend met Jacques Garcia en heeft er een fraai fotoboek over gemaakt.

Het was een fraaie dag toen we er heen reden over kleine weggetjes door de velden en langs interessante kerkjes, dorpjes en kasteeltjes. Toen we er eindelijk waren bleek het kasteel dicht gedurende de winter….We hebben geluncht in Neubourg en zijn weer naar huis gegaan. Toch een mooie dag.

De dag daarna hebben we een lokatie bezocht voor het Oranjefeest van de Nederlandse vereniging waar Maartje al jareb bestuurslid van is en ik sinds enkele maanden de interim voorzitter. De zaal is in het Parc de la Vilette, waar we vroeger niet ver vandaan van woonden, en het lijkt een geschikte plek. We hebben ook een frituurkraam kunnen regelen, en een kaasleverancier, wellicht ook haring. De band is nog open…en dan moeten we ook 400 kaartjes zin te verkopen.

Op Maandag had Maartje vrij en zijn we naar mijn sport gaan eten in een nieuwe zaak, John Weng, een Asiatische brasserie, heel modern en “Londons” volgens Maartje. We hadden er een lunchbox in een grote mand ( een soort Bento, wat erg “in” is) en het was heel aardig.
Die avond een kleine bestuursvergadering van de vereniging maar het besluit over het feest hebben we nog even uitgesteld tot een andere week als er meer mensen bij zijn. De rest van de week hebben we beiden hard gewerkt. Op zaterdag hebben we in Parijs een citruspers gekocht en een nieuwe printer voor de computers en op zondag hadden we een lunchafspraak met een oud collega van Marcel, Mathieu Robbins. Hij is ook weg bij Reuters en is nu huisbaas –- zijn familie heeft geld –- en geeft cursussen journalistiek over de hele wereld voor de Reuters Foundation (nice job if you can get it…) Hij is een foodie en veelvraat en genoot op de markt en in Café de l’Industrie. Een kennis, Isabelle Lagrange, kwam ook naar ons toe en met z’n viertjes hebben we de kapel van het kasteel van Saint Germain bezocht voordat ze weer door de regen naar de RER en Parijs gingen.

Lyons-La Foret

Lyons-La Foret

Zaterdag lijkt al weer lang geleden. Het was een mooie en zonnige dag terwijl het nu regent. Dus nu ik even pauze heb denk ik even terug.
Maartje had het stadje uitgezocht want het heeft een lange historie. W zagen het af en toe aangegeven staan op de snelweg naar Rouen en verder. De Engelse koning, een hertog van Normandië in die tijd, Henri I Beauclerc stierf er in 1135. Het ligt in een van de grootste bossen van Normandië en de adel kwam er graag jagen. Richard I en Philippe Auguste strijden om het dorp en de streek of bij het Engelse Normandië of het Franse Vexin te houden. In 1436 breken de Engelsen het kasteel af. Later is er een brand die het dorp verwoest. Het wordt in de 17de eeuw herbouwd en het huidige drop heeft nog veel van die karakteristieken met vakwerk huizen en een fraaie markthal.
We reden binnendoor, niet via de snelweg, de auto zoefde gruisloos over de wegen, de radio stond aan met leuke muziek en we genoten van de tocht.
Het dorp zelf is niet groot maar aardig, één van de mooiste dorpjes van Frankrijk.
We namen de lunch bij het restaurant de la Halle en hebben daar heel goed gegeten voor een relatief schappelijke prijs. Na de middag hebben we even de Abdij van Mortemer aan gedaan en naar het kleine riviertje de Fouilebroc gekeken. We zagen een grot oorlogsmonument in het bos maar konden niet zien of vinden wat er gebeurd is. Maar aangezien het een groot bos was zal er wel veel “maquis” verzetstrijders in het bos verborgen zijn geweest en ook wel gevonden en gedood.
Terug weer via de kleine weggetjes, we werden met veel geluids geweld ingehaald door sportwagens die daarna kilometers lang steeds weer een klein stukje voor ons stonden voor de stoplichten dus hun riskant inhaal pogingen op slingerweggetjes met tegenliggers was complete onzin en overbodig. Zij namen bij Gisors de snelweg, om in de file te staan, terwijl onze GPS met verkeersdrukte indicator ons binnendoor langs de Seine naar huis leidde.

Leuk leuk.

houlgate

Normandische kusten

Zoals jullie weten, in ieder geval zij die ons ‘volgen’, gaan we regelmatig richting Normandië. Dieppe en Saint Valėry en Caux, in het departement Seine Maritime (76) zijn onze favorieten. Op zaterdag, 4 januari, dachten we laten we eens een andere kant uitgaan. Nog steeds dezelfde richting naar het westen maar voorbij Rouen, dit keer richting de chique badplaatsen zoals Trouville, Honfleur, Cabourg allen gelegen tussen de Côte de Grâce en de Côte Fleurie.

Na de kaart meer in detail te hebben bekeken besloten we ons te richten op Cabourg. Ongeveer zo’n 180 km van StG vandaan. Het heeft een Casino en een ‘Grand Hotel’ waar Marcel Proust regelmatig verbleef in de zomermaanden. We namen de A13 naar Caen.

Om nog meer van de kust te genieten, namen we de afslag vóór Cabourg, namelijk Houlgate. Het is mij niet helemaal duidelijk of je deze naam op zijn ‘Engels’ of op zijn ‘Frans’ hoort uit te spreken. We hebben er in ieder geval heerlijk langs de kust, op het zandstrand, uitgewaaid. Bij l’Ambiance, mosselen met spekjes en chorizoworst, gegeten.

En toen naar Cabourg. Een badplaats die nog veel van haar ‘oude’ grandeur heeft behouden, met haar casino en haar chique, bontjas clièntèle. Daarna verder, zoveel mogelijk langs de kust rijdend, naar Caen en haar haven Ouistreham. Vanuit deze haven is er een regelmatige veerdienst naar Southampton in Engeland.

Op de kade hebben we schelpdiertjes gekocht. En staan kijken naar het aankomend en vertrekkend verkeer. Ik houd wel van deze bijzondere bedrijvigheid.

Daarna was het huiswaarts via de ons bekende route over Rouen